Zij van de tomtom

Zelfs op Tom, deze eigengereide chauffeur, wordt ze niet boos. Niet op deze, aardige, maar stronteigenwijze oudere jongere. Tom heeft het liefst altijd gelijk. Vandaag is hij op weg naar zijn oude schoolkameraad. De tomtomdame legt op een zachte doch duidelijk wijze haar strategie uit. Het doel bepaalt ze niet, dat doet Tom, die immers aan de knoppen zit. Mocht hij zich vergissen, dan herneemt zij zich gewoon en doet dat zonder haar stem te verheffen, hoe slecht hij ook naar haar luistert. Ze zal, totdat hij haar losmaakt van de energiebron, hem vertellen dat hij beter hier naar rechts moet, daar naar links of dat hij om moet keren om zijn bestemming te bereiken. Als hij inprogrammeert waar de tocht heen gaat zal zij hem zonder enige vorm van weerstand begeleiden om er te komen, of hij nu een omweg kiest of niet. Heeft Tom onderweg zin in een kopje koffie of een lekkere lunch, dan pikt ze zonder morren de draad weer op en zal ze niet klagen dat ze zo lang alleen in de auto op hem heeft moeten wachten. Het lijkt of ze begrijpt dat hij soms een leuk iemand tegen komt in het wegrestaurant, waar hij wel meer mee wil dan koffie drinken. Ook begrijpt ze dat hij last kan hebben van bepaalde hardnekkige overtuigingen die hij van vroeger meeneemt.

Misschien was Tom wel ooit, lang voor er nieuwbouwwijken werden gebouwd, daar ergens in de buurt geweest en zit er nog een bepaalde herkenning in zijn geheugen. De tomtomdame roept hem onverbiddelijk maar liefdevol tot de orde want zij weet dat de weg na al die jaren anders is gaan lopen. En dat hij er niet zal komen als hij vasthoudt aan zijn oude denken. Boos wordt ze nog steeds niet, wel volhardend. Het is wel mogelijk dat Tom boos wordt. Dat is dan niet op haar maar op zichzelf, hoewel hij het maar wat graag op haar zou willen projecteren. Tom heeft de keuze om haar erbij te betrekken óf om haar in het handschoenenkastje te leggen. Om vervolgens verbeten naar de naambordjes en herkenningspunten te turen: ‘Hier was het toch ergens? Ik ben toch niet gek?’ Heel zacht hoort hij haar stem, zelfs nu ze zonder zuurstof in het bedompte kastje ligt. Ze blijft vriendelijk. ‘Indien mogelijk, omkeren’, klinkt het fluisterend. Als er een bordje ‘doodlopende weg’ staat is dat voor Tom geen reden om te draaien. Integendeel: hij geeft onverantwoord veel gas, omklemt stevig het stuur, drukt zijn neus tegen de voorruit en overtuigt zichzelf tegen beter weten in van het naderbij komende doel.

Het scheelt dan ook een haar of hij rijdt een vrouw met een kinderwagen, die argeloos het zebrapad oploopt, omver. Als hij dan geschrokken boven op de rem staat, realiseert hij zich ineens dat hij niet goed bezig is. Het is net alsof hij ook een stem van binnen hoort, ook zo’n zachte stem, die van de Liefde. Hij kijkt een moment in de ogen van de geschrokken vrouw en het kleine kind en voelt een brok in zijn keel. Dan hoort hij de tomtomdame nog steeds zachtjes geluid maken. ‘Bij de volgende rotonde de vierde afslag’. Helemaal terug dus. Terug naar af. Hij slikt een traan weg. Wat een zoektocht hier in deze onverlichte nieuwbouwwijk. Hij herkent eigenlijk niets meer van vroeger toen Tom met Bart op de lagere school zat. Toen fietsten ze samen uit school naar hun boerderij om vooral geen huiswerk te maken.

Er was een grote zolder boven op de hooischuur waar van alles te beleven viel. Ze hadden paarden, waar ze met mooi weer op mochten rijden. En anders was er wel de tractor van zijn vader, die in geval van een goeie bui en weinig werk toeliet dat ze mee het land op gingen. En nu, van die boerderij is niets meer te zien, toch moet het hier ergens in de buurt zijn.... waar is het toch? Hij is bijna in tranen en dan gaat de telefoon. Bart aan de lijn. ‘Man, waar blijf je toch? We zitten allang aan het bier!’ Tom zet de auto aan de kant, haalt even diep adem, legt zijn hand op zijn hart en pakt met de andere de tomtom uit het kastje. Er is blijkbaar iets veranderd hier. Eindelijk aandachtig volgt hij haar altijd even vriendelijke aanwijzingen. Als ze dan zegt: ‘Bestemming bereikt’, staat Tom vol ongeloof voor een twee-onder-een-kap. Hij blijft even zitten voor hij uitstapt. Hier wonen ze dus nu. ‘ Stom, stom, dat ik dat vergeten ben’. En als Bart enthousiast de deur open doet zegt hij: ‘Héé, Tom, ben je daar eindelijk? Kon je het niet vinden, heb je geen tomtom? Ja, dit is even anders dan vroeger he? Vooruit, kom binnen!’