Het volksmuseum

V&D is het museum voor de gewone man. Het Volksmuseum. Niet een gewoon museum, waar je van een afstand naar de kunst mag kijken. Met je telefoon uit. Waar rustig op gedempte toon gesproken wordt, om anderen niet te hinderen in hun kunstbeleving. Waar je voor je entree moet betalen en je tas in de garderobe moet opbergen. Waar je ........

Nee, in het Volksmuseum mag je bijna alles. In ieder geval veel meer. Je mag overal aankomen – streng verboden in de andere versie – de suppoosten zijn behulpzame gidsen die je naar je favoriete werken loodsen, je mag alles passen, aaien, omdraaien, uittesten en je mag het ook nog meenemen. Alleen dán betaal je. Het is een kijken, kijken en soms kopen. Genieten geblazen. Een uitje.

Tegenwoordig kunnen we gelukkig ook op zondag terecht – ja nog wel- , wat een enorme winst is als het gaat om de zondagmiddag besteding. Want wees eerlijk, wat moet je anders doen. De natuur is te saai of het bos te druk en de Kerk heeft zijn amusementsfunctie al lang verloren. Het Volksmuseum mag daarom ook absoluut niet verdwijnen.

Dit heb ik bevestigd gekregen na een middagje interviewen in de winkelstraat van mijn woonplaats. Winkelen is iets anders dan ‘iets gaan kopen’. Boodschappen doen is gericht met een lijstje in de hand naar de supermarkt, winkelen doe je in het centrum. Bij V&D. Winkelen gaat om de gezelligheid.

‘We hebben een moeder-dochterdag, heel fijn om met ma op stap te zijn. Is ze er ook even uit, hè ma?’ ‘Winkelen? Wat mot ik anders met me man? Hij zit anders de hele middag op de kinderen te vitten.’ (met een aardig, maar toch schamper lachje). ‘De kids moeten er wel even uit, vind ik hoor. Anders zitten ze de hele dag achter de computer’. ‘Gewoon, effe chillen met mijn vrienden, je dacht toch niet dat we bij die ouwelui gaan zitten, toch?’ ‘Wij doen altijd weer leuke nieuwe ideetjes op voor de keuken’ zeggen twee op-leeftijd vriendinnen. En jongens met petjes zeggen niets. Die schuifelen langs de rekken met elektronica, vragen de verkoper het hemd van het lijf en gaan dan thuis hun nieuwe speeltje bestellen. Kijken, niet kopen.

Het gezellige muziekje en de dame die zo nu en dan iets omroept, geeft een gevoel van thuis. Het ruikt lekker naar vers brood bij La Place en o,ja, nog even bonbons meenemen voor oma. Beneden bij de kantoor- en reisartikelen staat een joviale oudgediende verkoper, bij wie mensen in de rij komen staan. Ik zie het gebeuren: ze wachten graag langer om door hem geholpen te worden. Hij weet nog wat service is: ‘Mevrouw, wat heeft u een enige koffer uitgezocht, die is echt geweldig. Wat een kleur ook, niet? Zal ik even kijken of de ritsen allemaal goed werken? Dit is toch geen geld voor zo’n mooi exemplaar...’

Tevreden. Blij. Een heerlijk uurtje V&D. Even koffie drinken, een oude kennis tegenkomen. En dan nog even over de afdeling met serviezen. ‘Kijk daar, die bloemetjes serie is nu in de uitverkoop, zullen we...?’ V&D mag niet omvallen. Jongens, jullie zijn geen warenhuis, jullie zijn een museum. En nu een half jaar de tijd om deze rol te pakken. Doen hoor!