De Kracht van Zwijgen

Hij schuift het verschoten gordijn van de kroeg open en er valt direct een zware warmte tegen hem aan. Het is druk. Hij wurmt zich door de drinkende mensenmassa heen en ziet een lege stoel aan het tafeltje bij het raam. Er zit een donkerharig meisje met de rug naar hem toe. Gelukkig, ik kan zitten, denkt hij. Zitten, al is het dan tegenover een dronken zuipschuit. Hij schuift de stoel opzij, terwijl hij tegelijkertijd onhandig zijn jas uittrekt. Het meisje knikt vriendelijk naar hem. Een Chinees, ook goed. Naast een half leeg glas verse muntthee ligt een onleesbare krant voor haar op de tafel. Terwijl hij bedenkt hoe hij nu aan iets te drinken komt, gaat haar telefoon. In rap chinees voert ze een kort gesprek. Dan glimlacht ze en schrijft een paar tekens op de rand van haar krant. Ze haalt haar schouders op alsof ze zich excuseert dat ze geen gesprekspartner voor hem kan zijn., ‘Geeft niet’, zegt hij, ‘Ik heb zoveel shit te vertellen, dat wil je niet weten’. Ze knikt weer, vouwt haar sierlijke handen om het glas en nipt een slokje van haar thee. Dan kan ik het je net zo goed vertellen, denkt hij. Het moet eruit. ‘Weet je, ze heeft me eruit gezet, mijn wijf, mijn mooie vrouw, ze wil me niet meer’. Het Chinese meisje kijkt hem stralend aan. ‘Meid, begrijp het dan, dat is klote! Ik kan vertrekken, begrijp je? En ik snap daar dus helemaal niets van!’

‘Wat wil je drinken?’ Een jonge student met een blad in zijn hand staat uit het niets naast hem. ‘Bier, en jij?’ vraagt hij aan het meisje. Ze glimlacht en schudt haar hoofd. Ze wijst op haar thee. Hij pakt een zakdoek en snuit zijn neus. Hij begint gewoon, alsof hij het tegen een therapeut heeft, starend uit het raam, voor zich uit te praten. Als hij zijn blik in haar ogen laat vallen, ziet hij alleen die glimlach, die hem zonder woorden uitnodigt om door te vertellen. Zijn hele leven komt voorbij aan dat tafeltje, hoe hij haar gevonden heeft, hoe ze gereisd hebben, gevreeën, geleefd als god in Frankrijk en zo arm als een kerkrat. En ook hoe hij erachter kwam dat zij niet genoeg had aan hem, aan één man. Hij krijgt een kleur, maar ook dat doet haar glimlach niet verdwijnen. Even krijgt hij het gevoel dat ze reageert op zijn gevloek, maar die lach is niet in overeenstemming met de ellende die hij vervolgens uitbraakt. Het biertje dat de student komt brengen, slaat hij in een keer achterover. Dan laat hij zich onderuit in de stoel zakken. Een sigaret, hij zou nu een moord doen voor een peuk. Het geroezemoes van het café is sterker geworden. Hij mist de rook, waar hij vroeger, met haar in deze kroeg, achter kon verdwijnen. De student komt de kaars op tafel aansteken en hij knikt voor nog een biertje.

‘Maar ik was natuurlijk ook geen lieverdje,’ zegt hij zacht, terwijl hij haar aankijkt. Ze kijkt zo schattig, zo uitnodigend, dat hij de schaamte zomaar voorbij is. ‘Weet je, ach, dat weten jullie Chinezen natuurlijk helemaal niet, jullie zijn niet zo onmatig, zo impulsief, zo ... ‘ En dan buigt hij voorover en vertelt haar wat hij nog nooit iemand verteld heeft. Hij voelt zich rustiger worden. Hij voelt letterlijk het gif uit zijn lijf stromen, nu hij in de ogen van een ander, die godzijdank niet begrijpt waar het over gaat, zijn zondige leven van zich af praat. Hij zou haar wel willen zoenen, maar dat lijkt hem op dit moment geen goed idee. Hij zucht diep, alsof hij alle adem die hij met zijn praten is kwijtgeraakt, in een keer weer naar binnen wil zuigen. Hij laat zich weer achterover vallen en zegt dank je, dank je, dat je geluisterd hebt. Ik weet wat ik ga doen, ik ga een gigantische bos bloemen kopen. We gaan als het aan mij ligt, helemaal opnieuw beginnen. Als hij opstaat komt de student met zijn biertje. Hij steekt zijn hand in zijn zak en pakt er een paar euro’s uit. Ik ga ervan door, geef het maar aan haar, ze heeft het verdiend. En als de student het viltje voor haar neer legt en het glas daarop zet, zegt ze vriendelijk: ‘Heerlijk, dank je wel.’