De Leider is de Werkster

Toen ik klein was hadden wij een hele lieve mevrouw die bij ons kwam poetsen. Mijn moeder had het te druk om zich met mij bezig te houden, maar deze Willie had alle aandacht. Ik mocht met haar mee naar de badkamer van mijn ouders. De wastafels met vim, spiegels met een zachte doek, schone handdoeken mooi recht hangen. En ik kreeg een spons en een emmer en een eigen taak. ‘Doe jij het bad maar, dat kun je vast’. Willie was scheutig met complimenten. ‘Wat wil jij later worden?’ vroeg Willie tussen het ramenzemen door. Vol overtuiging sprak ik: ‘Werkster’. Ik begreep niet waarom ze moest lachen.

Een jaar of tien geleden was ik verantwoordelijk voor de catering van een groot hockeytoernooi op de club van mijn dochter. Haar team, 12 meiden van een jaar of 15, stonden met vraagtekens in hun ogen naar de enorme berg broodjes, de stapel komkommers en bakken vol tomaten en eieren te kijken. Nadat we met een kopje thee hadden besproken wat de bedoeling was en geïnventariseerd wat iedereen leuk vond, maakten we vier ploegen. We stonden op tijd en kwaliteit: hockeyers zijn immers van goede komaf en we hadden een eer hoog te houden: bij ons was het toernooi het leukste, ook, nee vooral door de heerlijke lunch.

Als iedereen in de keuken aan het snijden, smeren en tussendoor smikkelen is, bloeit mijn taak op. Ik ben de werkster. Ik maak het aanrecht schoon, gooi zakjes weg, dweil de vloer aan. Ik vang op wat valt en moedig aan. Ik houd de contacten met de buitenwereld in de gaten, als er een onverlaat iets wil komen snaaien of een ongeduldige en zenuwachtige official met een rode kop komt vragen of het echt wel gaat lukken. Even een vuilniszak vervangen. En daar is een schaar nodig. ‘Waar zetten we de schalen neer?’

We zijn op tijd klaar. Als ik zie dat een paar mensen niets doen, verzin ik nog een klusje, even vegen, het buffet verder aankleden, stoelen verplaatsen. Links en rechts deel ik complimenten uit en zie opgetogen gezichten. Wat zijn ze trots en ik niet minder.

Ik vertelde dit verhaal aan het management team van een professionele organisatie met wie ik nu werk. Ze zijn zoekende naar hun rol. ‘Professionals laten zich niet managen’, verzucht Charles. ‘Ze gaan toch hun eigen gang’. Ja, dat is zo, de prof is bezig met zijn vak. De prof is een creatieve improvisator. Iemand die ruimte nodig heeft om optimaal te presteren. En iemand die de verwachting heeft dat de randvoorwaarden geregeld zijn.De professional wil zich niet bezighouden met zaken als boekhouding, koffie en huisvesting. Dus dat ligt bij de leiding. Daar zal hij per definitie water bij de wijn moeten doen: niet álles is precies volgens zijn wensen.

De manager daarentegen moet zich niet bemoeien met de corebusiness van de prof maar wel de supporter zijn én de werkster. Dit spanningsveld is dynamisch. Professionals willen nu eenmaal altijd ontwikkelen en nieuwe dingen oppakken. Leiders hebben de verantwoordelijkheid voor de organisatie. Daardoor is er een voortdurende dialoog nodig. Die gaat over: wat moeten de profs mee-weten, waarover mogen ze mee-denken en over welke onderwerpen mogen, nee, moeten ze mee-beslissen. De leider kan niet zeggen: ‘Ik heb dat een keer besproken en zo doen we het’. Dit proces faciliteren vereist de dialoog. Een vrije ruimte waar de beelden en verwachtingen naar elkaar kunnen worden uitgesproken en waar er een stap gezet kan worden naar betere afstemming en samenwerking. Een taak voor de leider om dit te organiseren. En natuurlijk is het daar lang niet altijd zo rustig als in de keuken van de hockeyclub. Dit is dan ook een kunst die de manager al doende onder de knie moet krijgen. Want het is net als de badkamer, na een week moet er weer gepoetst worden.