De Kracht van Complimenten

Bouke, een stevige man met een bedrijf in de staalhandel, zo’n type niet lullen maar poetsen, kwam vorige week als een zacht lammetje binnen. Nu moet je weten dat hij een jaar geleden voor het eerst kwam omdat hij een hooglopend conflict met zijn medewerker had, waar hij dacht gelijk te hebben, maar het niet kreeg. Hij kwam omdat hij bang was voor de kantonrechter. Via dit akkefietje kwamen we bij de relatie met zijn zoon. Met die medewerker is het uiteindelijk goed geregeld, maar die zoon... die bracht Bouke werkelijk naar zijn probleem. Het was ontroerend om te zien: een grote vent, die duidelijk veel van zijn zoon hield, daar geen kant mee op kon en het dus ook nooit kon laten merken. Zijn liefde kwam door eindeloze kritiek naar buiten: hij was een softie – zat op de opleiding in de zorg – had geen vrienden -wel een soort voetbalclubje – keek niet naar meisjes – niets mis mee, hoor begrijp je goed – en alleen maar achter de computer. Hij stelde zijn pa evident en voortdurend teleur. ‘Jelmer zégt wel dat hij hard werkt, maar ik zie er niets van!’ En meer van dat soort teksten.

Ik vroeg hem destijds wat hij wenste voor zijn zoon. ‘Ik wil dat ik net zo trots kan zijn op hem als mijn broer op zijn zoon. Die dóet tenminste iets, ik bedoel: die heeft een echt vak, hij is makelaar en verdient goud omdat hij zo goed is. Zij doen dingen samen, ik kan niets met Jelmer. Hij is altijd moe, heeft geen zin, heeft smoezen...’ ‘Je wilt trots zijn, waarom begin je daar dan niet eens mee?’ Ik weet nog hoe groot het vraagteken in zijn gezicht was.

In dat gesprek hebben we een afspraak gemaakt. Hij zou vanaf dat moment alleen nog maar complimenten geven. Waar dan ook over: zijn haar, zijn fiets, zijn verhaal, wat dan ook. ‘Maar als ik het niet meen, dan werkt het toch niet?’ sputterde hij destijds tegen. ‘Doe het nu maar en kijk wat er gebeurt.’

Bouke is een man van daden en hij vond mij te duur om niet naar me te luisteren. Het effect van zijn aanpak was verbijsterend. ‘Daar ben ik weer, fijn dat ik weer mag komen. Is een tijdje geleden, wat vliegt de tijd!’ Hij gooide zijn sjaal op de kapstok. Toen vertelde hij van de eerste keer uit eten. Dat hij niet eens meer de hele tijd op zijn tong had zitten bijten. ‘Jelmer begon zowaar van alles aan me te vertellen. Ik had inderdaad geen idee wat hem allemaal bezig hield.’

En dan zakt hij weg in de stoel. Als ik goed kijk zie ik een traan in zijn oog. ‘Ik moet je nog veel meer vertellen, maar ik begin bij het eind, het is niet te geloven. Dat jong van mij, die Jelmer, die heeft de baan gekregen. Er waren 150 sollicitanten, tien op gesprek, en... hij heeft hem! Ik kan het nog niet geloven, maar het is hem gelukt.’

Het verbaast me niet. Ik kijk Bouke aan en zeg: ‘Weet je nu waardoor dat komt? Hij heeft vleugels gekregen toen hij kon ophouden zich tegen jou te verdedigen. Hij kon groeien omdat hij zich niet meer met jou hoefde te vergelijken. Alle energie die ging zitten om in jouw ogen iets voor te stellen kon hij vanaf dat moment voor zichzelf inzetten. Hij voelde zich gezien en gesteund, en dat komt door jou. En.. hoe zit dat nu met die trots?’ Dat was net een vraag te veel. Hij snikt het uit. ‘Ik huil van blijdschap hoor, als je maar niet denkt dat ik een mietje ben.’ En als hij flink zijn neus gesnoten heeft zegt hij: ‘Ik ben niet een beetje trots, ik ben hartstikke trots, wat een kanjer is die goser.’