Saskia Teppema
« Vorige

Wat maakt dat nou uit.

Zorgen de buitenlanders voor problemen? Of kunnen het misschien ook onze eigen mensen zijn die het positieve, geïnteresseerde, welwillende vluchtelingen moeilijk zo niet onmogelijk maken om een prettige, passende plek tussen ons Hollanders te vinden?  

Met een achteloos gebaar gooit hij het flesje uit het raam als we terugrijden van de sauna. Ik ken hem nog niet zo lang. Hij is de nieuwe vriend van onze poezenbuurvrouw. Nou ja, bijna buurvrouw. Ze woont sinds een tijdje vlak bij ons, alleen, in een van die kleine huisjes waar er in onze buurt een paar van staan. Vroeger noemden ze dat arbeidershuisjes. Nu zijn het gewilde yuppenplekken waar de stokrozen uit de stoep bloeien en de bewoners ‘s-avonds met een stoeltje en een glaasje de dag doorspreken. Kinderen spelen veilig op straat en pubers met brommers hoeven het niet te wagen erdoorheen te scheuren. Een keer heeft een vader met stevige biceps zo’n knul bij de kladden gegrepen en die is dat tot op heden niet vergeten. Danja past sinds een tijdje op onze poes als we naar mijn schoonmoeder in Friesland gaan. Daar hebben we eens per maand weekend-manteldienst. Tini, de buurvrouw onder dezelfde kap en op leeftijd, kende haar omdat ze door haar geprikt wordt voor haar suiker. Ook als we niet weggaan, komt Danja graag even langs. Het gesprek met haar vlot iedere keer beter. Ze heeft zich aangewend om iedere dag één nieuw woord Nederlands te leren. Ze was daar arts en werkt hier in de thuiszorg. Haar familie heeft ze al lang niet meer gezien. ‘Heb jij tijd voor kopje koffie?’ vraagt ze altijd bescheiden als ze aanbelt. ‘Ik kan voor jou wel iets even doen.’ Dat halve uurtje heb ik meestal wel en een klusje ook. Daar staat ze op. Al is het maar dat ze de flessen naar de glasbak brengt. Ik verzamel gedragen kleren van mijn vriendinnen voor haar en dan vieren we zo nu en dan, tot haar grote dankbaarheid en plezier, ons eigen modeshowmoment. 

‘Ik wil jullie uitnodigen,’ zo kwam ze onlangs binnen. ‘Evert stelt voor om samen naar de sauna te gaan. Jullie toch ook van sauna houden, wanneer kunnen jullie?’ Evert. Ze had het al eerder over hem. Hij is een jaar of vijfendertig en hij woont een paar straten verderop bij zijn ouders. Ze heeft hem leren kennen in de sportschool. Met haar onbevangen vertrouwen in de Nederlandse man is ze iets met hem begonnen. Ik zie haar nog zitten toen ze twee maanden geleden schoorvoetend kwam vertellen dat ze zwanger was. De paniek vocht met de vreugde over de toekomst die binnen een paar maanden totaal ongewis zou zijn. ‘Wil je het houden?’ vroeg ik terwijl ik haar handen vasthield. ‘Weet je het zeker?’ probeerde ik nog toen ze hoofdschuddend dikke tranen huilde. Een kind van Evert dus. Nog nooit had hij een poot naar iets uitgestoken, maar bij deze lieverd had hij ze niet thuis kunnen houden. 

Sauna is onze guilty pleasure. Ik vind het heerlijk om een dag uit de kleren in het water en de warmte te zijn en te weten dat ik daar hoogstwaarschijnlijk geen bekenden tegen kom. Sam en ik rijden daar dan ook graag een uurtje voor om. Ik had niet het lef om te weigeren. We hebben het wel minstens een maand weten uit te stellen. Maar toen toch, ondanks de weerstand, afgesproken om samen met Danja en deze Evert naar een voor ons nieuw, want dichtbij, blootparadijs te gaan. Ik moet wel ergens doorheen, zal ik maar zeggen. Sowieso als ik samen met anderen in de gemengde kleedruimte kom, bevangt me een onwennig gevoel. Op het moment dat ik me uitkleed terwijl ik dat een onbekende ook zie doen, versier ik het toch zo dat ik mijn badjas eerder aan heb dan mijn slipje uit. Saunategenstanders zien vooral wat ik ook zie en waar ik graag mijn ogen voor neersla: men komt in afdoende prettig omhulsel binnen maar dan ineens verschijnen kwabben, borsten en pikken in allerlei soorten en maten, ontdaan van strings en grote witte katoenen onderbroeken. Ik wil echt niet kijken maar zie dan toch wat ik eigenlijk niet wil weten. Doe dat maar thuis, niet in mijn buurt. En dat gaat dan nu gebeuren tijdens een gezellige social talk met mijn lieve poezen-vriendin en haar Evert. Ik kan me even niet aan de weerzinwekkende fantasie onttrekken hoe hij dan met zijn tengels en wat dies meer zij aan onder andere haar kleine borstjes heeft gezeten. O nee, dat moet ik niet denken. Stop. 

Danja is niet haar echte naam. Ze heeft haar hoofddoek en haar achtergrond afgelegd toen ze statushouder werd. Omdat ze een lichte huid heeft en bijzonder mooi is, maakt ze een westerse indruk en dat is ook precies wat ze wil. Echter, haar blanke uiterlijk alleen blijkt niet genoeg om haar verlangens te verzilveren. Haar artsendiploma wordt hier niet erkend dus ze moet genoegen nemen met werk ver onder haar niveau. Ze heeft absoluut geen ervaring met daten noch met het beoordelen van mannen. Het feit dat Evert ervoor gekozen heeft voor zijn ouders te zorgen, leek haar aanvankelijk een enorm pluspunt. Een trouwe, lieve, familieman. Maar eenmaal zwanger, volgt de ontgoocheling al snel. Evert had niet iets in huis wat leek op verantwoordelijkheid.    

Het naakt rondlopen met dit gezelschap, waar ik me deze keer beduidend minder dan anders op verheugde, viel echter qua ongemak in het niet bij de conversatie. Dat werd ons al duidelijk tijdens de heenreis, toen wij als een bruidspaar achterin mochten zitten, en Evert ons trakteerde op het verslag van de onderhandelingen die hij had mogen voeren om de Skoda, waarin hij ons kwam ophalen, voor een geschikt prijsje in de wacht te kunnen slepen. ‘Hij had ‘m al een tijdje staan, zei die, nou gewoon, een buitenkansje, dus ik kijken, snap je?’ 

Het gesprek kwam na deze beginzin en de daaropvolgende volslagen inhoudsloze uiteenzetting consequent onderbroken door de check aan het eind van iedere zin of we zijn doorwrocht taalgebruik nog wel begrepen, nog niet eens tot een soort van koffie-en-thee niveau. Het relaas bleef hangen bij een eenrichtingsverkeer afgedraaid bandje gevuld met een nietszeggende brei van klanken. Daarnaast bleek Evert ook nog een uiterst matige chauffeur en een onbenul in de toch echt op de voor dummies aangepaste kunst van het navigeren. ‘Het is de laatste tijd een stuk drukker op de weg’, wist hij te melden, nadat hij zijn mobieltje op zijn knie had gelegd en desondanks tot drie keer toe een verkeerde afslag nam. Sam zei niets en mijn kaken bleven ook op elkaar want die wisten niet wat met deze stelling en alle daaraan voorafgaande én komende, aan te vangen. ‘Dit tiep auto [auwto] – kloppend op zijn stuurwiel - zie je de laatste tijd niet veel meer op de weg, dus dat maakt rijen extra leuk, begrijp je?’ Toen Sam hem wees op de flitser omdat hij veel te hard over de provinciale weg scheurde, lachte hij: ‘Ach, bonnetje meer of minder’ en trapte vervolgens zo hard op de rem dat de halveliterfles die tussen de voorbankstoelen stond, in het donkere gat bij de pedalen verdween. Met een levensgevaarlijke manoeuvre viste hij het ding onder het rempedaal vandaan. Het parkeren bij de sauna ging maar net goed. Voor de tweede keer verstijfde ik van schrik. Met één hand draaide hij achteloos aan het stuur toen hij met een stevige vaart een gat dacht in te schieten. Maar op dat moment ging het portier van de belendende auto open. Het scheelde de bekende haar. 

Danja keek keer op keer met een ongemakkelijk lachje naar ons op de achterbank. Sam keek naar buiten. Als geroutineerd chauffeur kon hij zijn ergernis nauwelijks binnen houden. Achteraf vertrouwde hij me toe dat hij zijn begrafenis had zitten organiseren. In haar ogen zag ik ineens het drama van een slimme immigrante weerspiegeld. Een jonge moedige vrouw die alles achter zich gelaten heeft en zich heeft voorgenomen van alle Hollanders te houden omdat die haar een nieuwe toekomst zouden gaan geven. Ze zou zich aanpassen, ze zou alles dankbaar aannemen, ze zou niemand tot last zijn. Ze zou geen fouten maken, ze zou hard werken, ze zou het niet erg vinden om …. Ik zag het drama in zijn volle omvang voor mijn neus, op de voorbank van deze gore Skoda, met een slapjanus, van wie zij niet alleen zwanger was maar jegens wie zij ook dankbaar moest zijn. 

Na de gebruikelijke vragen over welk bad eerst en hoe laat de eerstvolgende opgieting, konden wij er samen even tussenuit knijpen, niet alvorens we een tijd hadden afgesproken voor de lunch. De vegetarische salades zijn in sauna’s doorgaans voortreffelijk en groot dus dat zou onherroepelijk tot een minstens driekwartier durend samenzijn leiden. Ik hoopte stiekem dat ze dit keer helaas alleen tosti’s serveerden. Maar nee, ik kende de mores te goed. We hadden A gezegd en moesten en zouden nu all the way. 

De rest van de dag kon ik me het beeld van deze prille relatie, die bestond uit het zichtbare feit dat de bollende buik het gevolg moest zijn geweest van activiteiten waar beiden bij betrokken waren maar waarvan zondermeer vaststond dat die op alle fronten zou mislukken, niet meer van me afzetten. Ik zou zo graag nog iets liefs, iets leuks vertellen. Iets aardigs over Evert. Iets waar niet alleen ik maar vooral ook Danja hoop uit zou kunnen putten. Maar ik kan slechts verhalen van wat zich nog meer openbaarde over zijn ideeënwereld. Behalve de voorliefde voor zijn aftandse Skoda kwamen we nog te weten wat zijn voorkeuren waren qua eten. Vlees, kip, worst, frikandellen en nog eens vlees. Koken deed hij niet zelf, dat deed zijn moeder. Sperzieboontjes bleek de enige groentesoort waar hij iets van afwist want die moest je afhalen. Dat afhalen van boontjes was echter veel werk, wist hij, dus ook die werden, net als alle ander boodschappen, kant en klaar door AH thuis afgeleverd. Nee, werk had hij niet, dat was nogal moeilijk te vinden. Hij had 15 jaar geleden nog wel bij een garage gewerkt en daar kende hij nog steeds een maat. Vandaar, ha ha, had hij deze bolide kunnen aanschaffen.’ Zijn eigen bedrijf in beveiligingshekwerken was al een tijdje gestopt, ja, de markt zat tegen. Hij bestelde nog een biertje. Ik verlangde naar huis. En ik keek naar Danja, die zichtbaar ongemakkelijk haar broodje kaas zat te eten. Toen we haar iets vroegen en Danja vertelde over haar werk, zat hij ongegeneerd aan zijn nagels te pulken. 

Met de moed der wanhoop deed ik nog een poging om het gezelligheidsgehalte op te krikken en vertelde waarom niet alleen Danja maar ook wij vegetariërs waren, waarop hij snoof en vertelde dat hij nou eenmaal geen konijn was. Toen we na een stoombad en nog een enkel nat vertrek ons weer in een opgelegde, maar je zou ook kunnen zeggen, gewijde stilte hadden aangekleed en we ongemakkelijk doch noodgedwongen bij hem in de auto stapten voor de terugreis, draaiden mijn hersens overuren. Hoe kon ik haar helpen, haar in bescherming nemen, haar losweken van deze kerel met wie gelukkig worden net zo moeilijk was als dansen zonder muziek. Of zag ik het te somber? Legde ik mijn eigen waarden hier te veel overheen? Stelde ik te hoge eisen? Nee natuurlijk niet! Deze meid is zoveel meer waard. Ze is een parel en veel te goed om opgeslokt te worden door een Hollandse slak. Ik pijnig mijn geheugen: wanneer had ik haar kunnen waarschuwen? Maar ik had deze onomkeerbare wending op geen enkele manier zien aankomen en er had zich tijdens onze koffieochtendjes vóór de fait-accompli-biecht dan ook niet iets voorgedaan wat mij argwanend maakte. En nu had het geen zin meer. Het leven ging zich ook hier volgens de wet van de natuur voltrekken. Ik probeerde me te troosten met de gedachte dat Evert toch een lieve jongen moet zijn.

Toen we tussen de weilanden door naar huis reden en ik mijn best deed om van de bloeiende kersenbomen en de lammetjes in het weiland te genieten, zag ik dat Evert de plastic waterfles pakte, hem leegdronk, zijn raampje opendraaide en het geval, terwijl hij bruusk afremde, met een zwiep de sloot in smeet. ‘Wat doe je nóu?’ schoot ik ineens woest uit mijn slof vanaf de achterbank. Hij remde nogmaals. ‘Hoezo, wat doe je nou?’ brulde hij terug terwijl hij poogde om te kijken. ‘Zeg, wat maakt dat nou uit? Dacht je nu werkelijk dat een zo’n flesje ook maar iets uitmaakt? Jezus, ik had het de hele dag al door. Jij bent niet alleen een ongelooflijke burgertrut, maar ook nog eens een stompzinnige milieumuggezifter, snap je dat?’

Rumoer (niet van mij maar het er zeer mee eens)

Het leven is te hard van geluiden,

De mensen doen te druk: -

Om een ander wat doms te beduiden

Verpraten ze hun eigen geluk.

 

In plaats van de vruchten te smaken,

Gooien ze elkaar met de schil,

Ze praten om maar leven te maken -

En de wereld is zelf toch zo stil.

 

Ze konden het eind’lijk wel weten

Dat geen een het in woorden vindt,

En dat, waar ze hun woorden vergeten,

Het leven pas waarlijk begint.

 

  1. S. Adama van Scheltema
Er zijn nog geen berichten geschreven, doe dat hieronder
Geschreven op: 16-10-2019